Worden leerlingen slimmer door meer te bewegen?

01-02-2019 door Pierre Gorissen

De Universitair Medisch Centrum Groningen, Rijksuniversiteit Groningen en Vrije Universiteit Amsterdam deden onderzoek naar een in het onderwijs veel gestelde vraag: gaan leerlingen beter presteren als ze regelmatiger (tijdens de schooldag) bewegen?

Voor de duidelijkheid: gymles op school is hoe dan ook goed voor de gezondheid van leerlingen. Maar het onderzoek wilde antwoord geven op de vraag welke effecten fysieke activiteit heeft op de cognitie van kinderen in het primair onderwijs.

De vraag werd op twee manieren onderzocht: met een literatuurstudie én met een tweetal experimenten waarbij ze keken of ze de vanuit de literatuurstudie verwachte effecten konden reproduceren.

Het complete rapport (120 pagina’s) is hier te downloaden (PDF), hieronder staan de belangrijkste conclusies:

Uit de meta-analyse blijkt dat zowel acute fysieke activiteit (één beweegsessie) als langdurige fysieke activiteit (een aantal weken of maanden durend) effectief is in het verbeteren van aspecten van cognitie van basisschoolleerlingen. De fysieke activiteiten verschillen in de effecten die ze op de cognitie hebben.  Het gaat hier om een verzameling van executieve functies, (inhibitie, werkgeheugen, cognitieve flexibiliteit en planning), aandacht en schoolprestaties (rekenen, lezen en spelling). Activiteiten van een matig tot intensieve intensiteit, zoals hardlopen, kwamen het meeste voor. (pag. 74)

De activiteiten hebben ook invloed op de hersenen van de kinderen, al zijn de onderzoekers over die conclusies minder zeker, ze zien ze als sterke aanwijzingen:

De systematische review en meta-analyse naar hersenstructuur en neurofysiologische effecten toont aan dat fysieke activiteit van invloed is op hersenstructuur en het neurofysiologische functioneren van gezonde kinderen. En dat deze veranderingen in enkele studies ook samengaan met verbeteringen in cognitieve functies. Op dit vlak is echter meer onderzoek nodig, vanwege het zeer geringe aantal studies onder gezonde kinderen. Ook de resultaten van de studies verschillen sterk. Voorlopig beschouwen [de onderzoekers] deze resultaten als sterke aanwijzingen.

Voor het experiment werden de ongeveer 900 leerlingen (groep 5/6) van de 22 deelnemende scholen in 3 groepen ingedeeld:

  1. De eerste groep moest tijdens de gymlessen intensief bewegen (hardlopen, springen etc)
  2. De tweede groep volgde gymlessen met een cognitieve uitdaging, zoals veranderende spelregels.
  3. De derde groep leerlingen vormde de controlegroep en volgde twee keer per week de reguliere gymles.

De uit de literatuur verwachte resultaten op cognitieve vaardigheden, schoolprestaties, fitheid, motorische vaardigheden, BMI werden niet gevonden bij de 2 testgroepen versus de controlegroep.
Wel waren er verschillen te vinden toen er gekeken werd naar subgroepen binnen de testgroepen. Zo had de intensieve interventie meer effect op de fitheid van kinderen die al relatief fit waren vooraf in vergelijking tot minder fitte kinderen. Maar de cognitieve interventie werkte juist beter bij de relatief minder fitte kinderen. Ook hier dus: de interventie werkte niet voor alle kinderen op dezelfde manier of in dezelfde mate. De onderzoekers noemen dit ook bij de aanbevelingen: elk kind heeft zijn eigen benadering nodig.

Over één ding zijn literatuur en experiment het in ieder geval eens:

Het veelvuldig bewegen tijdens de schooldag moet worden gestimuleerd. Dit kan tijdens het
bewegingsonderwijs, maar ook tijdens andere lessen en in de pauzes.

(dit bericht verscheen in licht gewijzigde rol eerder op het ict en onderwijs blog)

Tags:
Geplaatst onder: Literatuur, Onderzoek | Reageer

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *